teef

vrouwelijk (de)/tef/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) vrouwelijke hond of vos
    Het is een teefje van ongeveer drie maanden.
  2. scheldwoord (scheldwoord) scheldwoord voor een meisje of een vrouw
    Hij noemde zijn vrouw soms een teef, wat wij zeer beledigend vonden.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands tēve, ontwikkeld uit *tibō-; verdere herkomst onduidelijk. Evenals Nederduits Teev, Duits (Hessisch) Ziwwe, Saterfries tieuwe en Oudengels tife, alle ‘teef’.

Vertalingen

Engelsbitch
Franschienne
DuitsHündin
Spaansperra
Italiaanscagna
Portugeescadela, cachorra
Russischсука
Chinees母狗
Arabischكَلْبَة
Poolssuka
Zweedstik, hynda
Deenstæve, hunhond