teil

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɛil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. brede waterdichte bak
    Hij maakte een teil met sop om zijn motor schoon te maken.
    Kent u ze nog, de lavetten van de beroemde Baarnse Ocrietfabriek? Het was een technische innovatie van de bovenste plank. Tot de komst van deze okerkleurige ronde granito badkuipjes, die voorzien van een kunststof schoep ook in staat waren om de was te draaien, bestond het doen van de was uit een zinken teil, ketels heet water, een geribbeld wasbord, een hard stuk Sunlight zeep en vooral veel tijd. U Volkskrant Jelle Reumer 22 juni 2010

Etymologie

* Uit het Middelnederlands tegel(e) en door palatalisering van de -g- ontstond -ei-

Vertalingen

Fransbassine
Spaansbarreño