telganger
mannelijk (de)/ˈtɛlɣɑŋər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dier (paard) dat in telgang gaatKolpik, een telganger en een goed paardje, had zich kennelijk staan vervelen: hij stapte briesend door de plassen en trok aan de teugels.
Etymologie
*afgeleid van telgang
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek