tellen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aantal bepalen
    Ik tel hoeveel geld ik nog heb.
    Ik tel vijf koeien in de wei.
    Ik had in een totaal andere wereld geleefd, maar was ik dan ook echt veranderd? Fysiek wel, aangezien ik bijna 9 kilo lichaamsgewicht kwijt was geraakt en mijn ribben te tellen waren.
  2. inerg (inerg) getallen oplopend opnoemen
    Ik tel langzaam tot 10.
  3. inerg (inerg) van belang zijn
    Het maatschappelijk belang telt niet meer.
    De overwinning is het enige dat telt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘rekenen, optellen’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • zijn zegeningen tellenkijken welke dingen er juist wel goed zijn gegaan
  • zijn ribben waren te tellenhij was zo mager dat er geen vet meer op zijn borstkas aanwezig was
  • Je knopen tellen
  • Niet in tel zijnniet belangrijk genoeg zijn of genegeerd worden door anderen

Vertalingen

Engelscount
Franscompter
Duitszählen
Spaanscontar, computar
Italiaanscontare
Russischсчитать, посчитать
Japans数える, かぞえる, kazoeru
Poolsliczyć