tellen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) aantal bepalenIk tel hoeveel geld ik nog heb.Ik tel vijf koeien in de wei.Ik had in een totaal andere wereld geleefd, maar was ik dan ook echt veranderd? Fysiek wel, aangezien ik bijna 9 kilo lichaamsgewicht kwijt was geraakt en mijn ribben te tellen waren.
- (inerg) getallen oplopend opnoemenIk tel langzaam tot 10.
- (inerg) van belang zijnHet maatschappelijk belang telt niet meer.De overwinning is het enige dat telt.
Etymologie
* In de betekenis van ‘rekenen, optellen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- zijn zegeningen tellen — kijken welke dingen er juist wel goed zijn gegaan
- zijn ribben waren te tellen — hij was zo mager dat er geen vet meer op zijn borstkas aanwezig was
- Je knopen tellen
- Niet in tel zijn — niet belangrijk genoeg zijn of genegeerd worden door anderen
Vertalingen
Engelscount
Franscompter
Duitszählen
Spaanscontar, computar
Italiaanscontare
Russischсчитать, посчитать
Japans数える, かぞえる, kazoeru
Poolsliczyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek