ter

/tɛr/

Betekenis

voorzetsel
  1. samentrekking van te + der (enkelvoud datief vrouwelijk), komt voor in staande uitdrukkingen en is met name met naamwoorden van handeling op -ing nog productief.

Uitdrukkingen

  • Ter leering ende vermaeck
  • Ter elfder ureop het laatste ogenblik
  • Ter ziele gaangestorven zijn of sterven, ook (figuurlijk)
  • ter harte nemen