toegeeflijkheid

vrouwelijk (de)/tuˈɣefləkˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een houding die getuigt van een niet al te grote strengheid
    In de ogen van de stad bleven wij Philpots Londense import die zowel met enige achterdocht als een beetje toegeeflijkheid diende te worden beschouwd.
    Maar gaandeweg sloeg de stemming om. Saleh, een politiek overlever pur sang, zette een 'good cop, bad cop' tactiek in van toegeeflijkheid enerzijds en harde onderdrukking anderzijds. Aanvankelijk leek hij bereid om te vertrekken, maar zijn herhaalde beloftes om af te treden werden keer op keer niet nagekomen. Toezeggingen van politieke hervormingen werden afgewisseld met de arrestatie en marteling van politieke activisten.
  2. iets wat getuigt van een (te) geringe strengheid

Etymologie

* afleiding van toegeeflijk

Vertalingen

Engelstolerance, consideration