teringzooi

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈterɪŋˌzoj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. krachtterm (krachtterm) waardeloze rommel
    Ik wilde haar iets voorlezen, iets wat nog ergens op leek, iets... ja, iets echts, begrijp je dat? Iets anders dan al die teringzooi die ze dagelijks leest; iets met meer betekenis dan de video's van Disney.
  2. krachtterm (krachtterm) onoverzichtelijke en zeer onaangename toestand
    Dat hij in een tijd van globale teringzooi de hoop uitspreekt dat schrijvers zich mengen in het debat daarover, is echter te prijzen, al lijkt de kans dat zijn boek een revolutie zal bewerkstelligen niet groot.

Etymologie

*(intensiverende)

Vertalingen

Engelscrap, mess, shitty mess
Fransbordel, putain de bordel (de merde)
Spaanspedazo de mierda