testament

onzijdig (het)/ˌtɛstaˈmɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) notariële of onderhandse akte met persoonlijke, eenzijdig herroepbare verklaring(en), de uiterste wilsbeschikkingen, waarin een erflater bij leven bepaalt wat er na overlijden met zijn nalatenschap gebeurt, het wettelijke begrip is uiterste wil
    Vóór hun dood, nu achttien jaar geleden, hadden haar man Johannes en zijn zuster Maren allebei een testament opgesteld, want al hadden ze beiden geheimen, ze waren ook verstandige, rechtschapen burgers.
    Toen Kierkegaard een jaar later stierf, schreef Regine dat ze het weinige dat Kierkegaard haar bij testament had nagelaten, niet zou accepteren Aan de verbroken verloving wijdde Kierkegaard het verhaal 'Het dagboek van een verleider', opgenomen in zijn grote filosofische werk Of/Of.
    In het testament staat dat de kinderen uit beide huwelijken voor gelijke delen erven.
  2. religie (religie) elk van de twee boekdelen van de Bijbel
    De bijbel kent het oude en het nieuwe testament.

Etymologie

*via Middelnederlands """ van Latijn "testamentum", in de betekenis van ‘beschikking voor na de dood’ aangetroffen vanaf 1240

Vertalingen

Engelswill, testament, Testament
Franstestament, Testament
DuitsTestament, Testament
Spaanstestamento
Turksvasiyet, vasiyetname