theebus

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtebʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. goed afsluitbare voorraaddoos voor het bewaren van gedroogde plantendelen waarvan een warme drank kan worden getrokken
    Theedrinken moet een feestelijk ritueel zijn geweest ten huize van de welgestelde 18de-eeuwse Bossche burger. Op tafel lag een theeschepje, in de vorm van een schelp, een emmervormig theezeefje, een theepot, een stijlvolle theebus en een degelijke koektrommel; dat alles in zilver.