thuisblijver

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die niet op reis gaat terwijl anderen dat wel doen
    Een werk over Wunderkammers moet natuurlijk ook een Wunderkammer zijn, het mag wat bij elkaar geraapt zijn. Als het maar epateert. En dat doet deze verzorgd uitgegeven en prachtig geïllustreerde uitgave zeker. Ideaal voor de thuisblijver ook, want dat reizen kan knap vermoeiend zijn.de Standaard 24 NOVEMBER 2017
    Zeker in toeristische topgebieden zijn ze ook stevig aan het investeren in hun netwerken. Gabriel zal er wel scherp op toezien, zei ze, dat aanbieders niet de kosten van de vaste telefonie of andere thuisverbindingen verhogen. Ze wil niet dat thuisblijvers – zeker als dat gedwongen is door een laag inkomen – de prijs betalen voor wie wel op reis kan.Tubantia Frans Boogaard 26-SEPTEMBER-2017
  2. iemand die thuis blijft terwijl anderen wel een actie buitenshuis ondernemen
    Toch lijkt d grote verrassing van de verkiezingen het forse verlies van de PVV als meest vocale anti-Europa partij te worden. In het binnenland, maar vooral ook in het buitenland, werd er rekening mee gehouden dat de partij van Wilders de grootste zou worden. Maar als de prognose uitkomt, eindigt de PVV als vierde partij van het land. Wilders wijt het tegenvallende resultaat aan de thuisblijvers. Bij een normale opkomst zou de PVV volgens hem wel de grootste zijn geworden.NRC Mark Kranenburg 23 mei 2014

Etymologie

* van thuisblijven

Vertalingen

Engelsstay-at-home