thuishonk

onzijdig (het)/ˈtœyshɔŋk/

Wat is de betekenis van thuishonk?

thuishonk betekent: (sport) (honkbal) hoekpunt van het honkbalveld waar de slagman de toegeworpen bal probeert weg te slaan en waarheen hij vervolgens probeert terug te keren na langs de drie andere hoekpunten te hebben gelopen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) (honkbal) hoekpunt van het honkbalveld waar de slagman de toegeworpen bal probeert weg te slaan en waarheen hij vervolgens probeert terug te keren na langs de drie andere hoekpunten te hebben gelopen
  2. figuurlijk (figuurlijk) vertrouwde plaats van waaruit een ruimere omgeving verkend wordt
  3. figuurlijk (figuurlijk) vaste ontmoetingsplaats van een bepaalde groep

Voorbeelden van "thuishonk" in een zin

  • Heeft een speler het eerste honk bereikt, dan wordt hij met stootslagen en fly balls van teamgenoten naar het tweede, het derde en uiteindelijk het thuishonk gedirigeerd.
  • In het thuishonk van BMW en Siemens ligt de horizon verder dan de landsgrenzen, maar München koestert vanouds zijn Beierse wortels.
  • Voor Shell zwierf hij hij de hele wereld over, maar de laatste vier jaar was hij weer op het thuishonk.
  • Maar supporters hoeven bij de Van der Poeltjes niet te kiezen: ze hebben de Nederlandse nationaliteit, maar werden geboren en groeiden op in Kapellen, Vlaanderen. (…) De supportersclub heeft dus ook twee thuishonken: de kroeg in Hoogerheide en eentje in het Belgische Kalmthout.
  • Een Rotterdamse garage, een Amsterdamse nichtenkroeg: beide blijken thuishonk voor gemakzuchtige kerels met het hart op de juiste plek.