tiend

/tint/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (joods) Bijbelse verplichting een tiende van de opbrengsten van het land aan de priesters af te staan
    Ook alle tienden des lands, van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des HEEREN; zij zijn den HEERE heilig.
  2. religie (religie) (christelijk) kerkbelasting, gebaseerd op de Bijbelse verpllichting
  3. economie, geschiedenis (economie), (geschiedenis) belasting ter grootte van een evenredig deel van de opbrengsten, gegroeid uit de eerdere kerkbelasting

Etymologie

*van tiende met apocope van de -e