tiener

mannelijk (de)/ˈtinər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) jongere tussen 10 en 20 jaar oud
    Dit cafetaria is bij de tieners van de buurt erg in trek.
    Had ik niet beter thuis kunnen blijven om ze elke dag te kunnen zien? Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn? En welk effect zou deze tocht op mijn jonge tieners hebben? Een vader die zo lang van huis is zou misschien onbewust verlatingsangst of aandachttekort kunnen veroorzaken.
    We waren tieners, een nieuw soort. De eerste keer dat ik het woord hoorde, dacht ik dat het een soort mislukte grap was over dat we tien jaar zouden zijn. Het nieuwe woord kon meer of minder geslaagd worden gecombineerd met alle mogelijke en onmogelijke andere woorden zoals -leven, -mode, -smaak, -muziek, -ideaal, -seks, -problemen, -bravoure, -cultuur, -markt, de vindingrijkheid kende geen grenzen.

Etymologie

*afgeleid van tien als leenvertaling van "teenager", in de betekenis van ‘iemand in de leeftijd tussen 10 en 19 jaar’ aangetroffen vanaf 1959

Vertalingen

Engelsteenager
Fransado
DuitsTeenager
Spaansadolescente
Portugeesadolescente
Deensteenager