tikkelen

/ˈtɪkələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) herhaaldelijk met een korte beweging aanraken
    Een grasspriet tikkelde aan tegen haar neus, een vlieg mafte rustig op haar koon.
  2. inerg (inerg) herhaaldelijk tikken laten horen
    De regen tikkelde tegen de ruiten, de wind woei in kleine, trieste vlaagjes, die gauw weer stilden.

Etymologie

*(freqtt) tikken