tikken

/ˈtɪkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een of meer keren een niet harde slag of klap geven
    Hou toch eens op met tikken!
  2. het regelmatige, korte maar energieke geluid van zo'n slag of klap
    Het tikken van de wekker houdt me uit mijn slaap.
    Je hoorde alleen het tikken van de klok en de wereld werd even op afstand gehouden.
    De hondennagels tikken op de tegels.
  3. ov (ov) typen
    Dus zodra ik klaar was met hun brieven, smokkelde ik er hier en daar een uurtje tussen om mijn eigen werk te tikken - ik begon steeds opnieuw, verfrommelde de vellen papier en stopte de proppen in mijn handtas om geen bewijsstukken achter te laten in de prullenbak.
    Kun jij die brief even tikken?
  4. informeel (informeel) iets afvinken, iets gebruiken, iets tellen
    'Sorry Joy, maar ik heb echt geen zin om vijf mojito's per dag weg te tikken op een all-inclusive resort aan een wit strand in Curaçao,' reageert ze.

Etymologie

*(klanknabootsing)

Uitdrukkingen

  • iemand op de vingers tikkeniemand berispen
  • zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergensoost west, thuis best
  • op de kop tikkeniets voordeling kopen
  • de tijd tikt voorbijde tijd gaat voorbij

Vertalingen

Engelspat, tap, ticking
Duitsticken, tippen, jemandem auf die Finger klopfen
Spaanspalmear, tictac, escribir a máquina