titan

mannelijk (de)/ˈtitɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mythologie (mythologie) lid van een geslacht van reuzen uit de Griekse mythologie dat de strijd met de goden aanbond, doch verloor
    Prometheus was de zoon van de titan Japetus.
  2. figuurlijk (figuurlijk) een van de veruit sterksten of invloedrijksten op een bepaald gebied
    Potgieter kreeg al dadelijk een sterke indruk van de beroemde Leidse student, die met zijn slordig uiterlijk en gebrek aan ‘wereld’ een titan van de geest was; van zijn afkeer van aanmatiging, zijn omvangrijke kennis en zijn helder oordeel, ook in literaire zaken.

Etymologie

* van Latijn "Titan", in de betekenis van ‘reus’ aangetroffen vanaf 1626

Vertalingen

Engelstitan
Spaanstitán