tjitjak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈcicɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. reptielen (reptielen) huishagedis, huisgekko
    In het Rajavithi ziekenhuis in de Thaise hoofdstad Bangkok is bij een jonge vrouw die al dagen klaagde over extreme oorpijn een mini-hagedis uit haar oor verwijderd. Het babyreptiel, om precies te zijn een gekko of tjitjak, had zich diep in haar gehoorgang genesteld.
    Op een ruit jaagt een tjitjak achter een insect, terwijl Dwaila's Siamese kat klaarstaat de kleine gekko te bespringen.

Etymologie

* uit het Maleis