toehoorder

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. communicatie (communicatie) iemand die luistert naar wat gezegd of gespeeld wordt maar niet actief meedoet
    Hij was alleen maar als toehoorder bij de vergadering aanwezig, hij had geen spreekrecht en ook geen stemrecht.
    Er waren 700 toehoorders aanwezig tijdens het openluchtoptreden van de popmuzikant.

Etymologie

* van toehoren

Vertalingen

Engelslistener