toeval

/ˈtuvɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (n): een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
    Dat wil zeggen dat er één procent kans was dat de gevonden correlatie op toeval berust.
    De volgende ochtend zag ik haar nog op de gang van ons hotel, maar dat zal wel toeval zijn geweest.
    Gregorio en hij waren weliswaar op zoek naar haar, maar het was slechts bij toeval dat hij die kant uit keek: een glimp van een slank bruin been, een flits van een donkere vlecht.
  2. medisch (m)/(n): (medisch) een aanval van epilepsie

Etymologie

* , (stam van het werkwoord vallen)

Vertalingen

Engelscoincidence, attack
Franscoïncidence, attaque
DuitsZufall, Anfall
Spaanscasualidad, azar, coincidencia
Italiaansattacco
Poolsprzypadek, napad
Zweedsslump