toilet
onzijdig (het)/twɑˈlɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sanitair) een plaats waar men kan urineren en zich kan ontlasten, meestal een kleine gesloten ruimte met een toiletpotWeet u waar de toiletten zich bevinden?De trap op, het eerste deel van de trap, die nog altijd in twee delen naar boven leidde, met halverwege op de overloop de deur van het extra toilet daar waar je je omdraaide om het tweede deel van de trap op te gaan.
- (sanitair) toiletpotHij zit net op het toilet.' Uit angst voor 'besmettelijke geslachtsziekten' - zelfs de dierenarts dacht toen blijkbaar nog dat die via de toiletbril konden worden overgebracht - kreeg het hele gezin de opdracht om het toilet in de badkamer te gebruiken.
- (huishouden) persoonlijke verzorging zoals het zich netjes kleden en opmaken, m.n. van vrouwen gezegdZe was altijd heel lang bezig met haar toilet als ze naar een feest ging.[http://books.google.nl/books?id=hTswAgAAQBAJ&pg=PT156&lpg=PT156&dq=%22bezig+met+haar+toilet%22&source=bl&ots=qx1NSW4Ozs&sig=Jnkybvnqca_dKRWU7zg2Mtqb3cg&hl=nl&sa=X&ei=u1FSU8-ZHIHSOaWtgLAK&redir_esc=yv=onepage&q=bezig%20met%20haar%20toilet&f=false Georgina Harding, Wie zij was, 2009]
Etymologie
*Afkomstig van het Franse woord toilette, een verkleinvorm van toile (doek). Het begrip evolueerde van "zich kleden" tot "kleedkamer" tot "kleedkamer met voorzieningen zoals wc" tot de huidige betekenissen 1 en 2.
Vertalingen
Engelstoilet, toilet
Franstoilettes
DuitsToilette
Spaanslavabo, cuarto de baño, excusado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek