toiletgang

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het patroon van het wc-bezoek
    Na het ontbijt — de wentelteefjes zijn te nat, het ei ongaar — en een moeizame toiletgang, transporteert ze hem naar de veranda.
    Verpleeghuizen mogen geen afspraken maken met bewoners van verpleeghuizen over het aantal keren dat zij naar de wc mogen. Staatssecretaris Van Rijn schrijft in een brief aan de Tweede Kamer dat het reguleren van de toiletgang in strijd is met een waardig leven.