toiletspullen

meervoud/twɑˈlɛtspʏlə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dingen die je nodig hebt voor de persoonlijke verzorging zoals tandenborstel, tandpasta, zeep, deodorant, washandje, zeep.
    Hij pakte zijn toiletspullen uit zijn reistas en legde ze één voor één op de wastafel.