toosten
/ˈtostə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinkenZij toostten op een goede toekomst.Daar neem ik ook een glas van om te toosten op Kaapverdië, alle aanstaande huwelijken, de verbroedering aller volkeren en het Leven Zelf.Als vlotte tachtiger kwam Nico Klein nog één keer naar de krant, om op een nieuwjaarsborrel de hand te schudden van oud-collega’s én de hoofdredacteur, en te toosten op het nieuwe jaar.
Etymologie
*afgeleid van "toost"
Vertalingen
Engelstoast, offer a toast
Franstrinquer
Duitstoasten
Spaansbrindar
Italiaansbrindare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek