touw

onzijdig (het)/tɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een middel om zaken bij elkaar te binden
    Hij gaf Pamela en mij opdracht om voor de thee te zorgen en de dozen en kratten en het touw op te ruimen.
    Ik pakte het adresboek uit het laatje, waar het tussen oude stadsplattegronden en bolletjes touw en ongebruikte muizenvallen lag.
    Een touw bestaat doorgaans uit meerdere in elkaar gevlochten draden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘koord’ voor het eerst aangetroffen in 1286

Uitdrukkingen

  • aan de touwtjes trekken
  • aan een touwtje hebben
  • in touw zijn
  • geen touw aan kunnen vastknopeniets niet begrijpen

Vertalingen

Engelsrope, cord
Franscorde
Spaanscordel, cuerda