toverhazelaar
mannelijk (de)/ˈtovərˌhazəˌlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor struiken uit het geslacht
- bepaald soort struik, , ontstaan uit een kruising van de Japanse en de Chinese toverhazelaar, die wordt vermeerderd door haar te enten op een onderstam van de Amerikaanse toverhazelaar
- (verouderd) bepaald soort struik,
Etymologie
*, leenvertaling van "witch hazel"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek