tra

mannelijk/vrouwelijk (de)/tra/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een weg of opengehouden strook in een bos om bij brand, de verspreiding van ondergronds smeulend vuur te verhinderen/beperken

Etymologie

* In de betekenis van ‘brandgang in bos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350