traan
mannelijk/vrouwelijk (de)/tran/
Wat is de betekenis van traan?
traan betekent: (fysiologie) vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fysiologie) vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
Voorbeelden van "traan" in een zin
- Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "traen" van Oudnederlands "traan", in de betekenis van ‘oogvocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Vertalingen
Engelstear
Franslarme, huile de poisson
DuitsTräne, Tran
Spaanslágrima, aceite de ballena
Poolsłza
Zweedstår
Deenståre, tran
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek