traan

mannelijk/vrouwelijk (de)/tran/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fysiologie (fysiologie) vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
    Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "traen" van Oudnederlands "traan", in de betekenis van ‘oogvocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw

Vertalingen

Engelstear
Franslarme, huile de poisson
DuitsTräne, Tran
Spaanslágrima, aceite de ballena
Poolsłza
Zweedstår
Deenståre, tran