training

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een oefening
    Kom je ook naar de training op zaterdag?
    Het gymnasium De Griekse topsport kon gedijen vanwege een brede basis, en die begon met training in het gymnasium.
  2. opleiding in een vaardigheid
    ik heb vandaag weer een managementtraining
    Het onderzoek laat zien dat Oekraïense kinderen in deze kampen geïndoctrineerd worden met "militair-patriottische" trainingen en bestraft worden voor hun Oekraïense identiteit. Een Oekraïense mensenrechtenactivist noemde de kampen "vernietigingskampen voor de Oekraïense identiteit".[https://www.nu.nl/spanningen-oekraine/6350330/massale-ontvoering-van-oekraiense-kinderen-blijkt-uitvoerig-gepland-door-russen.html www.nu.nl (24 mrt 2025)]
    De commandanten hadden in Dordrecht een training gevolgd en brachten de verworven kennis en kunde op geheime plekken over op de onder hen vallende manschappen.

Etymologie

* van trainen

Uitdrukkingen

  • Training on the job

Vertalingen

Engelstraining
Fransentraînement
DuitsTraining
Spaansentrenamiento
Italiaansallenamento
Poolstrening
Zweedsträning