trainingsjack

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het jasje van een trainingspak
    Ze wuifden in hun strakke trainingsjacks met grote letters CCCP op de borst lachend naar de grote mensenmassa.
    Hij is geheel in de kleuren van Chili gehuld met zijn blauwwitte trainingsbroek, roodwit trainingsjack en een grote Chileense vlag in zijn rechterhand.
    Bij een temperatuur van twee graden boven nul en gekleed in slechts een T-shirt met daar een trainingsjack overheen (alleen handbagage mee) hang ik de ultieme toerist uit in Krakows sprookjesachtige binnenstad.