transformator

mannelijk (de)/ˌtrɑnsfɔrˈmatɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektromagnetisch toestel dat toelaat de spanning te verhogen of te verlagen in een wisselstroomnet, met behoud van de frequentie
    Op een hoge tafel in de hoek stond een grote bakelieten radio met een verzilverde draaischijf waarin vooroorlogse zendstations waren gegraveerd. Waarschijnlijk zou hij met de juiste transformator nog aan de praat te krijgen zijn. Maar er zou niet dezelfde muziek uit opklinken als vroeger.

Etymologie

* van transformeren

Vertalingen

Engelstransformer
Franstransformateur
DuitsTransformator, Trafo
Spaanstransformador
Italiaanstrasformatore
Poolstransformator
Deenstransformator