transistor

mannelijk (de)/trɑnˈzɪstɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektrotechniek, elektronica (elektrotechniek), (elektronica) een in de twintigste eeuw uitgevonden halfgeleider die elektrische signalen versterkt, als voorloper van het geïntegreerde circuit (de chip) en daarmee ook een belangrijk basiselement van de computer en internet
  2. transistorradio

Etymologie

*van het Engelse transfer (overdracht) + resistor (weerstand) ()

Vertalingen

Engelstransistor
Franstransistor
DuitsTransistor
Spaanstransistor
Italiaanstransistor
Portugeestransístor
RussischТранзистор
Chinees晶体管
Japansトランジスタ
Koreaans트랜지스터
Arabischمقحل
Turkstransistör
Poolstranzystor
Zweedstransistor
Deenstransistor