transithal

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote ruimte waar passagiers verblijven die overstappen van het ene naar het andere vervoermiddel (met name op luchthavens)
    een foto van een mens die dood noch levend is, maar die zich in de allereenzaamste transithal bevindt
    De man landde vanuit Georgië op Schiphol en wilde vanuit daar doorreizen naar Malta, zo laat de Koninklijke Marechaussee weten. Nadat hij via de transithal naar de gate was gelopen, werd hij door een medewerker van de luchtvaartmaatschappij gecontroleerd. Zo bleek dat de man een brief bij zich had waarop vermeld werd dat hij positief was getest op het coronavirus.

Etymologie

* uit het Engels