trap
mannelijk (de)/trɑp/
Wat is de betekenis van trap?
trap betekent: (bouwkunde) verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
- stoot met de voet
- (techniek) onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen
- mate van ontwikkeling
- (muziek) functie of akkoord in een akkoordreeks
- (taalkunde) elk van de verschillende mogelijke vormen van een bijvoeglijk naamwoord die een bepaalde mate van gradatie aangeven
zelfstandig naamwoord
- (trapachtigen) benaming voor vogels uit de familie
Voorbeelden van "trap" in een zin
- Hij liep de trap op.
- Gebroederlijk pakten we elkaars handen vast en liepen de trap op van de enige winkel van het dorp, die ook dienst deed als centrale hangplek voor alle hikers.
- Hij gaf de bal een veel te harde trap.
- Op deze trap van ontwikkeling vormen de arbeiders een over het gehele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa [http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1848/manifest/manif1.htm Het Communistisch Manifest]
- De stellende, vergrotende en overtreffende trap.
Etymologie
*[B]: via Middelnederlands """ en "trappe" van "drop" of "drop"
Uitdrukkingen
- Een trap nageven — Iemand die al in een kwetsbare positie zit, nog eens extra aanvallen
- Van de trap gevallen zijn — naar de kapper zijn geweest
Vertalingen
Engelsstairway, staircase, kick
Fransescalier, coup de pied, outarde
DuitsTreppe, Trappe
Spaansescalera, patada, puntapié
Italiaansscala
Portugeesescada
Russischдрофа
Chinees鸨
Turksmerdiven
Poolsschody, drop
Zweedstrapp
Deenstrappe, trappe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek