trappen

/ˈtrɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een krachtige beweging van de voet raken of verplaatsen
    Ze heeft de grootste moeite om niet te schreeuwen, de deur open te trappen en haar handen om de keel van de vrouw te leggen.
  2. ov, ov (ov) met een krachtige beweging van de voet raken of verplaatsen#(ov) met een krachtige beweging van de voet het pedaal van een fiets bewegen
    In Gorters befaamde Mei (1889) keren op pagina's 91-92 twee wielrenners in een homerische vergelijking terug als goden, volgens Willem Wilmink het eerste wielerverslag in Nederland: De cirkels draaien en het witte pad Glijdt weg: ze loeren op elkanders wielen En trappen vastberaden, in hun zielen Is nijd en haat, voor 't doel de ééne wint, Maar de ander haalt weer in en rijdt verblind Van wanhoop hem voorbij.
zelfstandig naamwoord
  1. trapachtigen (trapachtigen) de enige familie van vogels uit de orde . De familie telt 26 soorten. Ze hebben stevige poten, een lange hals en brede vleugels. Ze zijn meestal bruin of grijs gekleurd en hebben donkere strepen en vlekken aan de bovenzijde en wit, geel of zwart aan de onderzijde

Etymologie

*: "trap" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelskick
Spaansacocear