tred
mannelijk (de)/trɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- regelmatige gang of loopToen hij zich realseerde dat het al laat was, versnelde zich zijn tred.De treden veranderden van richting bij iedere paal.
Etymologie
*van Middelnederlands "trede" / "tret", van "treden", in de betekenis van ‘stap’ aangetroffen vanaf 1400
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek