tred

mannelijk (de)/trɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. regelmatige gang of loop
    Toen hij zich realseerde dat het al laat was, versnelde zich zijn tred.
    De treden veranderden van richting bij iedere paal.

Etymologie

*van Middelnederlands "trede" / "tret", van "treden", in de betekenis van ‘stap’ aangetroffen vanaf 1400