trek

mannelijk (de)/trɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat iemand karakteriseert
    Dat is echt een trekje van die familie
  2. biologie (biologie) de reis die een soort afhankelijk van de seizoenen aflegt (migratie, trektocht)
    De trek is nog niet begonnen.
  3. voeding (voeding) verlangen naar eten, (lichte) honger
    Wanneer gaan we eten? Ik heb behoorlijke trek.
  4. verlangen naar iets in het algemeen, lust [2], zin [2]
    Ik had 100 kilometer over de weg kunnen omlopen, maar dan zou ik door een gevaarlijke drugsbuurt lopen en daar had ik geen trek in.
  5. tocht [2], trektocht
  6. luchtstroom

Uitdrukkingen

  • Iemand een trek spelenStoett-2289 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsfeature, appetite
Spaansrasgo, rictus, tic