trek
mannelijk (de)/trɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets dat iemand karakteriseertDat is echt een trekje van die familie
- (biologie) de reis die een soort afhankelijk van de seizoenen aflegt (migratie, trektocht)De trek is nog niet begonnen.
- (voeding) verlangen naar eten, (lichte) hongerWanneer gaan we eten? Ik heb behoorlijke trek.
- verlangen naar iets in het algemeen, lust [2], zin [2]Ik had 100 kilometer over de weg kunnen omlopen, maar dan zou ik door een gevaarlijke drugsbuurt lopen en daar had ik geen trek in.
- tocht [2], trektocht
- luchtstroom
Uitdrukkingen
- Iemand een trek spelen — Stoett-2289 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelsfeature, appetite
Spaansrasgo, rictus, tic
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek