trekhaak

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorziening aan een auto waarmee een aanhangwagen of caravan getrokken kan worden
    16.35 uur. 316 kilometer, we zijn over de helft van het te behalen aantal kilometers, en er wordt gelachen in de verkeerstoren. Op de A16 hebben de camera’s bij toeval een filebotsing gefilmd. Een auto zit vast aan de trekhaak van zijn voorganger. NRC Jochem van Staalduine 17 november 2016