trekker

mannelijk (de)/ˈtrɛkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) vrachtauto die geschikt is voor een oplegger
  2. verkeer, landbouw (verkeer), (landbouw) landbouwvoertuig met grote achterwielen, waardoor het landbouwmachines kan voorttrekken
    Een kleine groep boeren blokkeert woensdagochtend opnieuw een distributiecentrum van ALDI in Drachten. Eén van de ALDI-vrachtwagens buiten de hekken kon door drie trekkers geen kant meer op.
  3. mechanisme in schietwapen waardoor het buigen van de wijsvinger leidt tot het lossen van een schot
    Zestig jaar nadat de foto ‘De laatste Jood van Vinnytsja’ voor het eerst aan de wereld werd getoond, heeft een Duitse historicus de naam van de SS'er achterhaald die in 1941 de trekker overhaalde.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/10/13/dader-op-beroemde-foto-massa-executie-holocaust-met-ai-achterhaald-a4909400 www.nrc.nl (13 okt 2025)]
  4. vogel die, afhankelijk van het jaargetijde, in ver van elkaar gelegen gebieden verblijft
  5. persoon (persoon) iemand die een trektocht maakt, vaak voor een wat langere periode (met bijv. het doel zich uiteindelijk op een verafgelegen plek te vestigen)
    Als rondreizende trekker kwam ik daar vaker.
  6. Iets of iemand die iets voorttrekt
  7. iemand die of iets wat zorgt voor een veel groter aantal bezoekers; ± attractie
  8. huishouden (huishouden) een rubber veger
  9. economie, beroep (economie), (beroep) iemand die een wissel [2] afgeeft
  10. sanitair (sanitair) onderdeel van bepaalde, vooral wat oudere toiletpotten waaraan na het toiletgebruik moet worden gerukt, zodat de spoelbak leegloopt en de pot schoonspoelt
    Deze wc heeft een trekker.
  11. landbouw, gereedschap (landbouw), (gereedschap) hark voor het bijeenzamelen van aren [1]

Etymologie

* van trekken

Vertalingen

DuitsSchlepper, Traktor, Trecker
Spaanstractor