trektocht

mannelijk (de)/ˈtrɛktɔxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tocht, reis waarbij een wat langere afstand wordt afgelegd, meestal van minstens enkele dagen, zowel van mensen als van dieren gezegd
    Een vogel op zijn trektocht.
    De adrenaline gierde door mijn lijf omdat, na meer dan een jaar voorbereiding, mijn trektocht van Mexico naar Canada eindelijk begon.

Etymologie

* (bet. 2).