treurwilg
mannelijk (de)/ˈtrørwɪlᵊx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, uit de wilgenfamilie ()De treurwilg wordt in de literatuur vaak in verband gebracht met verdriet.
Vertalingen
Engelsweeping willow
Franssaule pleureur
DuitsTrauerweide
Spaanssauce llorón
Italiaanssalice piangente
Deenshængepil
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek