trip

mannelijk/vrouwelijk (de)/trɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel, historisch (schoeisel) (historisch) middeleeuws schoeisel met een houten zool en een riempje over de wreef
  2. schoeisel, historisch (schoeisel) (historisch) plankjes die men bij de turfwinning onder de voeten bond om niet in de natte bodem weg te zakken
  3. paardrijden (paardrijden) houten plankje voor onder de hoef van een paard
tussenwerpsel
  1. aanduiding voor (het geluid van) heel een licht stapje
zelfstandig naamwoord
  1. korte reis
    Ik maakte vóór mijn trip vaak de grap dat ik zodra mijn oudste dochter ontspoorde direct naar huis zou komen.
  2. ervaring opgeroepen door bedwelmende middelen (tripmiddelen)
    Hebben jullie ook dat wiet roken tijdens de trip echt wel je trip beïnvloedt?

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘tijd waarin men onder invloed van drugs is’ aangetroffen vanaf 1970

Vertalingen

Spaansexcursión, viaje