troef

mannelijk/vrouwelijk (de)/truf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kaartspel (kaartspel) een kaart van een kleur die hogere waarde heeft dan andere kleuren
    Samen hadden zijn acht van de dertien troeven in handen.
  2. een verborgen voordeel

Etymologie

*via "truf" van "triomphe" dat weer teruggaat op Latijn "triumphus" "triomf, zege", maar in de 15e eeuw ook de naam van een kaartspel werd en de betekenis "troef" kreeg; cognaat met "trûf", "Trumpf", "trump"

Uitdrukkingen

  • Al je troeven uitspelen/verspelenAlles gebruiken zonder dat je daarna nog wat achter de hand hebt
  • De troef inzettenIets gebruiken waardoor je een voordeel hebt
  • Een troef achter de hand hebbenIets wat voordeel biedt nog even bewaren voordat je het gebruikt