trog

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veeteelt (veeteelt) een langgerekte voederbak
    De trog was goed gevuld.
  2. geologie (geologie) een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat
    De trog bij de Marianen is het diepste punt van de aardbodem.
  3. meteorologie (meteorologie) een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied
    Na een koufrontpassage die gepaard gaat met slecht weer, volgt er een trog als het een tijd lang mooi weer is geweest.
  4. broodtrog, deegtrog, kneedtrog, moel; houten bak om (brood)deeg in te kneden en te laten rijpen

Etymologie

* In de betekenis van ‘(voer)bak’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelstrough, trench, trough
Fransauge, fosse océanique
DuitsTrog, Tiefseegraben
Spaanscomedero
Italiaanstrogolo
Portugeescocheira, comedouro
Russischкорыто, лохань
Koreaans구유
Turksyalak
Poolskoryto, żłób
Zweedstråg, tråg
Deenstrug