trog
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (veeteelt) een langgerekte voederbakDe trog was goed gevuld.
- (geologie) een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaatDe trog bij de Marianen is het diepste punt van de aardbodem.
- (meteorologie) een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebiedNa een koufrontpassage die gepaard gaat met slecht weer, volgt er een trog als het een tijd lang mooi weer is geweest.
- broodtrog, deegtrog, kneedtrog, moel; houten bak om (brood)deeg in te kneden en te laten rijpen
Etymologie
* In de betekenis van ‘(voer)bak’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelstrough, trench, trough
Fransauge, fosse océanique
DuitsTrog, Tiefseegraben
Spaanscomedero
Italiaanstrogolo
Portugeescocheira, comedouro
Russischкорыто, лохань
Koreaans구유
Turksyalak
Poolskoryto, żłób
Zweedstråg, tråg
Deenstrug
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek