trombone
mannelijk/vrouwelijk (de)/trɔmˈbɔːnə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) koperen blaasinstrument waarbij de toonhoogte door middel van spanning van de lippen en een schuif wordt geregeldDe trombone was op de grond gevallen, maar gelukkig deed de schuif het nog.
Etymologie
* van "trombone", in de betekenis van ‘blaasinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1754
Vertalingen
Engelstrombone
Franstrombone
DuitsPosaune
Spaanstrombón
Italiaanstrombone
Portugeestrombone
Poolspuzon
Zweedsbasun
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek