tronk
mannelijk (de)/trɔŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- boomstam waarvan het bovenste deel en de takken zijn afgehaktMaar over de doorweekte, verwilderde weiden en velden, voor en achter, links en rechts, kropen glimwormen bij tientallen: allemaal lantarentjes met een loodrechte lichtstreep op donker glas, de ‘points de repère’ van de kleine kanonnen, die ergens tegen een tronk werden opgehangen of opgestoken aan een staak.Toen Siepman hen bij dat plekje had geleid, waren de jongens verrukt en verrast geweest als had niet elk van hen het van jongsaf gekend; hun jeugdig romantisch voelen ging te gast aan wat ze zich zagen voorgesteld als decor, een heuveltje en een groep van sombere, oude bomen, hun vlotte verbeelding zwelgde in visioenen van schittering en kleur, speurde plotseling in elk aanwezig ding als een voorbestemdheid om tot meerdere luister van hun feest te dienen; kreupelhout stond er gereed voor coulissen, een mosplek als gerechtsplaats, aan gindse dode tronk zou met purperen toom de ridder zijn schimmel binden.
- onderste deel van een boom bestaand uit de wortels en een deel van de stam dat na het omhakken of omvallen van een boom overblijftIk dacht: dit is een boom dien onweer brak.Maar uit den tronk rijzen de groene twijgen.Hij zal nog bloeien wat hij bloeien kan.
- afgeknotte boom of struikIk herhaal het, geen onder ons was de tronk, wiens gebladert op de hoogte zou wuiven en zingen, waar deze wuivende en zingende kim, Verhaeren, de zon in het gelaat rees.
- stam, ook in figuurlijke betekenisIk zoek de zon op in de tuin van het Rijksmuseum en geniet van de bomen die Giuseppe Penone heeft geschapen. Bronzen afdrukken van echte bomen, maar met goud in hun tronk of een blok graniet tussen hun takken.Reinaert paait hem en wijst naar het erf van boer Lamfreits, waar een gekloofde boomstam vol honing ligt. Bruin wrikt zijn kop in de tronk, maar Reinaert schopt de wiggen weg en de beer zit vastgeklemd.De franciscanen zien hun medebroeder Petrus van Alcantara († 1562) heilig verklaard, maar het zijn vooral de kapucijnen, als nieuwste tak van de oude franciscaanse tronk, die zich verrijkt zien met een indrukwekkende heiligenschaar: Laurentius van Brindisi, de meest veelzijdige figuur van de kapucijnen († 1619), Felix van Cantalice († 1587), Serafinus van Montegranaro († 1604), Jozef van Leonessa († 1612), Fidelis van Sigmaringen († 1622), Benedictus van Urbino († 1625).
zelfstandig naamwoord
- (Nederlands-Indië) eenvoudige gevangenisTerwijl de maats bezig waren met het slachten van een buffel en een varken voor het Paaschfeest, plukhaarde onze Dominee met een Assistent en werden beiden in de boeien gezet! Den volgenden dag was Paaschzondag en dan moest de Dominee (die ook wel een ziekentrooster kan zijn geweest) natuurlijk preeken. Hij werd dus weer uit den tronk gehaald en ook den volgenden dag kwamen allen naar zijn predicatie luisteren.Nadat hij was opgepakt werd hij bij de wacht ‘twee etmalen in de tronk gesloten’, ‘sonder eeten off drinken’, aldus Ontong.
Etymologie
*[B] van "tronco"
Uitdrukkingen
- zulk een tronk, zulk een jonk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek