tronk

mannelijk (de)/trɔŋk/

Wat is de betekenis van tronk?

tronk betekent: boomstam waarvan het bovenste deel en de takken zijn afgehakt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. boomstam waarvan het bovenste deel en de takken zijn afgehakt
  2. onderste deel van een boom bestaand uit de wortels en een deel van de stam dat na het omhakken of omvallen van een boom overblijft
  3. afgeknotte boom of struik
  4. stam, ook in figuurlijke betekenis
zelfstandig naamwoord
  1. (Nederlands-Indië) eenvoudige gevangenis

Voorbeelden van "tronk" in een zin

  • Maar over de doorweekte, verwilderde weiden en velden, voor en achter, links en rechts, kropen glimwormen bij tientallen: allemaal lantarentjes met een loodrechte lichtstreep op donker glas, de ‘points de repère’ van de kleine kanonnen, die ergens tegen een tronk werden opgehangen of opgestoken aan een staak.
  • Toen Siepman hen bij dat plekje had geleid, waren de jongens verrukt en verrast geweest als had niet elk van hen het van jongsaf gekend; hun jeugdig romantisch voelen ging te gast aan wat ze zich zagen voorgesteld als decor, een heuveltje en een groep van sombere, oude bomen, hun vlotte verbeelding zwelgde in visioenen van schittering en kleur, speurde plotseling in elk aanwezig ding als een voorbestemdheid om tot meerdere luister van hun feest te dienen; kreupelhout stond er gereed voor coulissen, een mosplek als gerechtsplaats, aan gindse dode tronk zou met purperen toom de ridder zijn schimmel binden.
  • Ik dacht: dit is een boom dien onweer brak.Maar uit den tronk rijzen de groene twijgen.Hij zal nog bloeien wat hij bloeien kan.
  • Ik herhaal het, geen onder ons was de tronk, wiens gebladert op de hoogte zou wuiven en zingen, waar deze wuivende en zingende kim, Verhaeren, de zon in het gelaat rees.
  • Ik zoek de zon op in de tuin van het Rijksmuseum en geniet van de bomen die Giuseppe Penone heeft geschapen. Bronzen afdrukken van echte bomen, maar met goud in hun tronk of een blok graniet tussen hun takken.

Etymologie

*[B] van "tronco"

Uitdrukkingen

  • zulk een tronk, zulk een jonk