Troubadour

mannelijk (de)/ˌtrubaˈdur/

Wat is de betekenis van Troubadour?

Troubadour betekent: (middeleeuwen), (muziek), (dichtkunst), (beroep) een langs kastelen en vorstenhoven in het middeleeuwse Zuid-Frankrijk, rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. middeleeuwen, muziek, dichtkunst, beroep (middeleeuwen), (muziek), (dichtkunst), (beroep) een langs kastelen en vorstenhoven in het middeleeuwse Zuid-Frankrijk, rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
  2. muziek, historisch (muziek), (historisch) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediant

Voorbeelden van "Troubadour" in een zin

  • Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de troubadour in haar hoofd naklinken.
  • `Er was een tijd,' zei ze, 'waarin troubadours vrouwen het hof maakten met hun gedichten. Je zou bijna heimwee krijgen naar dat verleden. Want zie mij aan, omstuwd door twee heren die in hun pogingen een vrouw genegen te stemmen niets beters kunnen verzinnen dan indruk op haar te maken met haar eigen woorden.'
  • Ik weet meer over het verleden van de prinses dan welke sterveling ook, en het ware verhaal is minder sprookjesachtig dan de troubadours ons willen doen geloven.
  • Met z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de troubadour het publiek in een uitgelaten stemming.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘Provençaalse minnezanger’ in het Nederlands voor het eerst aangetroffen in 1732 . Zie #Frans voor de verdere etymologie.

Vertalingen

Engelstroubadour, minstrel, troubadour
Franstroubadour, troubadour
DuitsTroubadour, Spielmann
Poolstrubadurzy
Zweedstrubadur