tuis

Wat is de betekenis van tuis?

tuis betekent: eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuisen

Betekenis

werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuisen
  2. gebiedende wijs van tuisen
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuisen

Voorbeelden van "tuis" in een zin

  • Ik tuis.
  • Tuis!
  • Tuis je?