tuis
Wat is de betekenis van tuis?
tuis betekent: eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuisen
Betekenis
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuisen
- gebiedende wijs van tuisen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuisen
Voorbeelden van "tuis" in een zin
- Ik tuis.
- Tuis!
- Tuis je?
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek