twee

mannelijk/vrouwelijk (de)/twe/

Betekenis

telwoord
  1. "2", het getal tussen één en drie
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen twee euro en zevenendertig cent.
    Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave twee is "42".
zelfstandig naamwoord
  1. het cijfer twee
    In zijn handschrift was de Z niet van de twee te onderscheiden.
  2. dat wat in een (rang)ordening met 2 is aangeduid
    Het is weer de twee die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Hij had veel onvoldoendes, drie vijven en een twee.
  3. groep van 2 eenheden
    Die twee zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.
    We waren met z'n tweetjes.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "twee" van Oudnederlands "twe", in de betekenis van ‘telwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 222

Uitdrukkingen

  • geen twee deuntjes voor één cent zingen
  • met twee maten meten
  • met twee monden praten
  • met twee tongen spreken
  • niet in twee sloten tegelijk lopen
  • op twee gedachten hinken
  • op elkaar lijken als twee druppels water
  • tussen twee vuren zitten

Vertalingen

Engelstwo, two
Fransdeux, deux
Duitszwei, zwo, Zwei
Spaansdos, dos
Italiaansdue, due
Portugeesdois, duas, dois
Russischдва, две
Chinees
Japans二, に, 二つ
Koreaans둘, 두, 이
Arabischاثنان
Turksiki, iki
Poolsdwa, dwójka
Zweedstvå, tvåa
Deensto