twee-eenheid

vrouwelijk (de)/tweˈʔenhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel dat uit 2 goed te onderscheiden, maar nauw samenhangende delen bestaat
    Muzikant en instrument zijn een twee-eenheid.
    Het staat in alle biologieboeken: korstmossen zijn een twee-eenheid, een huwelijk tussen een schimmel en alg.
    Met zijn notoire stem deelt de filmer aan het begin mee dat hij nooit een trouwring heeft gedragen om de twee-eenheid met zijn partner uit te dragen.

Etymologie

*, geschreven met een koppelteken volgens de Leidraad bij de spellingvoorschriften 7.5 onder (b)