uil

mannelijk (de)/œyl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor vogels uit de orde , roofvogels die vooral 's nachts jagen; onderverdeeld in twee families: en
  2. vlinders (vlinders) benaming voor vlinders uit de familie , nachtvlinders waartoe meer dan 25.000 soorten behoren
  3. informeel, pejoratief (informeel) (pejoratief) dom persoon
    Een uil van een vent.

Etymologie

* In de betekenis van ‘uilachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • beter met de uil gezeten dan met de valk gevlogen,
  • ieder meent dat zijn uil een valk is
  • [[elk meent zijn uil een valk te zijnElk meent zijn uil een valk te zijn]].|Elke ouder denkt dat zijn kind het beste is.
  • een uil vangeneen grote strop hebben
  • uilen naar Athene dragennutteloos werk verrichten
  • een uiltje knappeneen dutje doen

Vertalingen

Engelsowl
Franshibou, chouette
DuitsEule
Spaansbúho, lechuza
Italiaansgufo
Portugeescoruja, mocho
Russischсыч, сова
Japans
Turksbaykuş
Poolssowa
Zweedsuggla
Deensugle